Algemeen

Het nieuwe Onderzoeksgebouw LUMC omvat 11 bouwlagen. Deze bouwlagen zijn grofweg in vier categorieën in te delen, te weten:

  • Twee lagen in de onderbouw voor onderwijsdoeleinden (bouwlagen 0 en 1);
  • Zes bouwlagen waarin laboratoria (ca. 14.000 m2) en kantoren zijn gevestigd (bouwlagen 2 t/m 7);
  • Eén technieklaag waar aan de zuidwest-zijde tevens ruimte voor kantoorfuncties is gereserveerd (bouwlaag 8);
  • Proefdierencentrum (bouwlaag 9).

LUMC-onderzoek-low

Installaties, flexibiliteit & duurzaamheid

Het gebouw kenmerkt zich door de flexibele opzet van de gebouwtechnische installaties. Het is een innovatief concept met betrekking tot flexibiliteit, waarbij de basisinstallatie identiek is voor kantoren en laboratoria. De techniek van het laboratorium is een uitbreiding op kantoren, die eenvoudig te realiseren is. Het concept is beloond met de IFD-prijs van de stichting SEV (Stuurgroep Experimenten Volkshuisvesting).

De flexibiliteit uit zich onder meer in een sterke modulaire opzet en veel ‘kleine’ verticale schachten. Hierdoor zijn zowel centrale als decentrale installaties goed bereikbaar en aanpasbaar gedurende de bouw en levensduur.
De opzet is zodanig dat een kantoorruimte eenvoudig een laboratoriumruimte kan worden en vice versa. Dit vergroot de levensduur en maakt aanpassing mogelijk zonder extra materiaalgebruik (sloop/demontage). De LBK’s zijn uitgelegd op een gelijktijdigheid kantoren/labs; verticale ontsluiting is uitgelegd op het maximum.

Verder is gelet op een goede inpassing van technische ruimten en schachten in het gebouw, zodat de installaties goed bereikbaar zijn. Het gebouw staat aangesloten op een centrale energievoorziening bestaande uit aquifersysteem (warmte- en koudeopslag) en warmtepompen, aangevuld met koelmachines en CV-ketels voor de pieklast en bedrijfszekerheid. De EPC van het gebouw bedraagt circa 72% van de tijdens de bouwaanvraag geldende norm (2003).

Voor flexibiliteit zijn de volgende installatietechnische maatregelen genomen:

  • Horizontale ontsluiting van verdiepingen voor wat betreft standaard gebouwinstallaties. Infrastructuur is aangelegd in de gangzones op de diverse verdiepingen, waarin installaties zijn opgenomen die bij ombouw van kantoren of laboratoria niet zullen wijzigen zoals kanalen, leidingen, verlichting en universeel telefoon- en databekabelingnetwerk;
  • Verticale ontsluiting van verdiepingen voor wat betreft specifieke laboratorium installaties. Infrastructuur is aangelegd in de decentrale schachten waarin installaties zijn opgenomen die bij ombouw van kantoren of laboratoria wellicht zullen wijzigen zoals voedingen, medische gassen en bedrijfstapwater en riolering;
  • In de decentrale schachten zijn de afzuigkanalen dusdanig gedimensioneerd dat zij niet zullen wijzigen bij het ombouwen van kantoor naar laboratorium;
  • Geen installaties op of in scheidings-wanden tussen kantoren en/of laboratoria;
  • Verlichtingsinstallatie schakelen op basis van infrarooddetectie en middels een lichtschakelsysteem zodat wijzigingen in de installatie softwarematig doorgevoerd kunnen worden;
  • Toepassen van railkokersystemen in de decentrale schachten waardoor het eenvoudig is specifieke voedingen aan te brengen.

Een belangrijke eis die gold bij het ontwerp van dit Onderzoeksgebouw betreft de flexibiliteit in installaties.
Het moet op eenvoudige wijze mogelijk zijn om een laboratorium om te bouwen naar een kantoorruimte en vice versa zonder dat dit ingrijpende aanpassingen in de installaties tot gevolg heeft.

Hiertoe zijn de volgende oplossingen toegepast:

  • Consolidation Points
  • Draadloos netwerken
  • Voice-over-IP